Always play the ice cream, never play the bear shit
What you ‘re playing sounds great. But why does it sound like a bunch of really, really good conservatory students?” De studenten van het jazzkwintet zijn even uit het veld geslagen door de opmerking van John Clayton. Is het een compliment? Niet echt. Ze hebben ook niet zo snel een antwoord op zijn vraag. Daarom vult Clayton het zelf in. “Jullie zijn heel hard aan het werk om je eigen partij goed te spelen. Dat is leuk, maar jullie spelen niet samen. Ik hoor vijf goede studenten die allemaal individueel aan het werk zijn en heel erg hun best doen. Maar het is geen muziek. Ik wil honderd procent communicatie horen. Inspireer elkaar, reageer, stuw elkaar op, stap in elkaars schoenen. Enjoy the song. Play the joy.”
Het zijn opmerkingen die Clayton blijft maken gedurende de hele week dat hij te gast is op het Conservatorium van Amsterdam. Clayton is de laatste jaren kind aan huis in Amsterdam. Vijf jaar geleden nam hij het initiatief voor het project Exploring the black roots of jazz. Sindsdien komt de Amerikaanse bassist, componist en arrangeur elk voorjaar een week naar Amsterdam als artist in residence. Om samen met studenten van de jazzafdeling op zoek te gaan naar de oorsprong en de geschiedenis van de jazz. Dit jaar kwam Clayton met zijn voltallige Clayton Brothers Quintet, waar onder meer zijn zoon Gerald (piano) en broer Jeff (altsax) deel van uitmaken (zie inzet). Op de een na laatste dag van zijn bezoek loop ik met hem mee. Het wordt een inspirerende dag met één boodschap. Speel muziek of speel niet.
Geen half werk
Clayton – zwarte spijkerbroek, rugzakje, zonnebril op het voorhoofd, exorbitant grote baseballschoenen - is de vleesgeworden innemendheid. Ondanks zijn volkomen volgepropte programma heeft hij voor iedereen alle tijd. En nooit wijkt de vriendelijke, vaderlijke glimlach van zijn lippen, zelfs niet als hij de gitarist van het studentenkwintet scherp de les leest. “Waarom hang je in je stoel? Wat is er mis met je?” Het is helder: Clayton is vriendelijk, maar veeleisend. Geen half werk. Je speelt écht of je speelt niet. Never practice, always perform. Punt.
“Ook als ik toonladders of technische etudes oefen, probeer ik er muziek van te maken”, legt hij uit. “Ik besteed geen enkele aandacht aan techniek, alleen aan muziek. Natuurlijk doe ook ik oefeningen om een bepaald loopje technisch in de vingers te krijgen. Maar ook dan is het zaak om van dat loopje muziek te maken. Mijn tip aan conservatoriumstudenten: schaf het woord ‘oefenruimte’ af en vervang het door ‘performanceruimte’. Dat dwingt je om van elke oefening en van elke toon iets echts en waarachtigs te maken. Daar draait het om.” Als de bassist van het studentenkwintet zijn instrument wil stemmen, slaat Clayton op de piano een A aan. Het is me direct duidelijk wat hij met een ‘echte toon’ bedoelt. Want de A die hij aanslaat is mooi en vol. Aangeslagen met aandacht. Het is méér dan een A alleen praktisch nut. Het is muziek.
In zijn streven naar waarachtigheid schuilt ook zijn ambivalente houding ten opzichte van de, per definitie schoolse, situatie van een conservatorium. Clayton: “Op een conservatorium laat men studenten wegkomen met dingen waarmee ze in het echte leven níet weg kunnen komen.” Hij illustreert dit als hij ’s middags een zangworkshop geeft aan een groepje studenten. Tijdens de workshop deelt hij de tekst uit van een oude bluessong. De tekst beslaat twee A4-tjes. “Morgen kennen jullie het uit je hoofd”, zegt hij tegen de studenten. “Want zingen met een papiertje in je hand is niks.” Als er protest klinkt in de trant van “te weinig tijd”, trekt Clayton zijn schouders op. “Niet zeuren. Stel: jouw favoriete artiest belt je vandaag met de vraag of je bij zijn concert van morgen een ziek bandlid wilt vervangen. Maar hij eist wel van je dat je alle nummers uit je hoofd kent. Dan protesteer je ook niet en werk je de hele nacht door.”
Alles wat hij zegt is een pleidooi voor waarachtigheid. Geen gerommel, geen concessies. Clayton: “There are only two things you’ve to be concerned about as an artist. Expressing yourself with honesty and expressing yourself with clarity. That’s all.” Om dat te illustreren vertelt hij de studenten van de zangworkshop een mooi sprookje van twee broertjes die samen met hun moeder in een huisje in het bos wonen. Hun moeder maakt iedere dag overheerlijk perzikijs. De ingrediënten mixt ze op het stenen aanrecht in de keuken. Op een dag vinden de jongens in het bos een enorme, verse berendrol. Voor de grap nemen ze hem mee naar huis en leggen hem op het aanrecht, op de plek waar hun moeder iedere dag haar perzikijs maakt. Als moeder thuiskomt, is ze woedend. “Maak het schoon!”, schreeuwt ze. De broers doen wat hun moeder van ze eist. Ze scheppen de stront in een emmer en brengen het naar buiten. Daarna nemen ze het aanrecht af met een natte doek. Maar ja, ze boenen zoals jongetjes boenen: niet echt grondig, niet echt goed. Op het oog is het schoon, maar dat is dan ook alles. Als hun moeder de volgende dag op het aanrecht weer haar perzikijs maakt, maakt ze dus perzikijs met restjes berenstront. De moraal? Clayton: “Always play the ice cream, never play the bear shit.”
Black roots
Ik geloof niet in leraren, zegt Clayton. “Van een leraar leer je niets. Alles van waarde leer je jezelf. Hoe leren kinderen lopen en praten? Niet van een leraar maar van zichzelf.” Natuurlijk zijn leraren nuttig, maar alleen om een leerling in beweging zetten zodat hij zijn eigen weg en zijn eigen waarden ontwikkelt. “Leren begint bij imiteren. Dat geldt voor leren lopen en praten: een kind doet eerst na wat hij ziet en hoort, maar vervolgens maakt hij het zich eigen en ontwikkelt zijn eigen pas en zijn eigen stem. Het geldt ook voor muziek. Je start met luisteren naar platen en concerten. Dan ga je solo’s uitschrijven en naspelen. Je duikt er als het ware in onder. Je probeert als pianist precies zo te swingen als Oscar Peterson, en als bassist zoals Ray Brown. Je maakt je hun muziek stap voor stap eigen. En langzamerhand ontwikkel je je eigen stijl, je eigen geluid. Wie op zoek is naar een eigen stijl, vindt die nooit door in een hokje alleen te gaan oefenen. Je moet op zoek gaan naar muzikanten, naar opnames die je aanspreken. Die ga je imiteren. Dat is het startpunt. Bouw voort op wat er is en maak er uiteindelijk iets authentieks van.”
Dat is ook precies de waarde van het project ‘Exploring the black roots of jazz’, waarvoor Clayton nu al vijf jaar achtereen naar Amsterdam komt en waarvan hij de belangrijkste initiator was. “Je kan wel leuk muziek gaan spelen, maar het heeft geen enkele waarde als je niet weet waar het vandaan komt.” Vergelijk het met het leren kennen van iemand, zegt Clayton. “Als je wilt weten waarom iemands gezicht er uit ziet als het er uitziet, kun je niet volstaan met het bekijken van alleen dat ene gezicht. Waarom heeft hij groene ogen en zwart haar? Om daar achter te komen moet je je verdiepen in zijn achtergrond. Hoe zagen zijn vader en moeder eruit? En zijn grootvaders en grootmoeders? Pas als je dat weet snap je waarom iemand eruit ziet zoals hij eruit ziet. Datzelfde geldt voor het leren kennen van muziek. Het leidt tot niets wanneer iemand die wil spelen in de stijl van John Coltrane alleen luistert Coltrane. Hij moet zich verdiepen in de muziek waar Coltrane naar luisterde, in de artiesten die hem beïnvloedden. Pas dan ontstaat echt begrip.”
Hetzelfde geldt voor componeren en arrangeren, zegt Clayton. “Ik schrijf nooit voor een instrument, altijd voor een specifieke artiest. Je moet precies weten hoe iemand klinkt, waar hij ademhaalt, hoe hij blaast, hoe hij de tonen aanslaat. Hoe klinkt een piano? Geen idee. Ik weet alleen hoe de piano van Diana Krall klinkt. Ik arrangeer voor haar, niet voor een piano.”
Berta, Berta
Weet wat je doet en ken de context. Die vuistregel past Clayton ook toe als hij in de loop van de middag met een groepje studenten de oude slavenlied Berta, Berta repeteert. Het is een indrukwekkend lied dat Amerikaanse slaven zongen terwijl ze aan de bouw van een spoorlijn werkten.
Oh, Lawd, Berta, Berta,
Go head and marry don’t cha
Wait on me.
Voordat hij begint vertelt Clayton de studenten over de achtergronden van de tekst. “Dit is een lied van iemand die weet dat hij nooit meer vrij komt. Hij doet dit werk, elke dag, zeven dagen per week, steeds weer, aan een stuk door, tot hij dood is. Trouw met een ander, roept hij tegen zijn Berta, want op mij wachten heeft geen zin.” Terwijl Clayton het verhaal rond de tekst vertelt, zijn de studenten muisstil. Onder de indruk van het beeld dat hij oproept. De studenten kwamen lacherig de zaal in, maar als ze na de uitleg van Clayton gaan zingen zijn het slaven.
Tijdens zijn week in Amsterdam probeert Clayton studenten op een spoor te zetten. Het spoor van hun eigen zoektocht naar eerlijkheid en waarachtigheid. Clayton: “Ik ken de antwoorden niet. Ik hoop alleen dat ik de studenten enthousiast kan maken om hun eigen weg te kiezen, zelf op zoek te gaan naar hún muziek, hún toon, hún stem. Remember: the music is in me, it’s not in my bass.”
Tobias Reijngoud